De 7 Pionnen (Elst) tegen ZSG2
door Albert de Boer
Het gaat niet zo goed met ZSG 2. Er dreigt degradatie uit de 5e klasse. En dat terwijl het spelerspotentieel voldoende zou moeten zijn om in de top mee te doen
Omdat teamleider Harry ten Klooster zijn verbrijzelde been niet kon belasten met de reis naar Elst, en er geen invallers beschikbaar bleken togen we naar Elst om te strijden tegen een club met de naam de 7 pionnen. Misschien in de hoop dat een club met de naam 7 pionnen ook maar 7 spelers in een team zal opstellen.
Als we de website vooraf hadden doorgeploegd, hadden we kunnen weten dat de 7 slaat op het aantal oprichters van de club in het jaar 1933, een tijd dat Dr. Max Euwe op weg was de eerste (en enige) Nederlandse wereldkampoen te worden.
Omdat Harry niet beschikbaar was, werd ik gevraagd als teamleider de honneurs waar te nemen. Een interimtaak op de valreep van degradatie. Ik wilde achteraf niet kunnen zeggen dat ik de kantjes er af had gelopen, en bestudeerde grondig de Elster opstellingen. De meest in het oog springende gegevens waren:
- Ze spelen meestal in dezelfde volgorde en opstelling
- Ze hebben een speler met 0 uit 4, die de laatste keer is opgeofferd aan bord 1.
- Noah Knol wil graag vooraf weten tegen wie hij speelt en met welke kleur.
Met deze gegevens toog ik aan de slag om een opstelling te maken, waarin we de grootste kans hadden op winnen. Een ronde langs de leden van het team leverde afzeggingen op van alle drie de jeugdspelers die het niveau inmiddels aan kunnen (hulde aan de trainingen!), van Kris Smeenk en van potentiële invaller Thijmen Sanders. Omdat ook Harry niet beschikbaar was, reisden we uiteindelijk af met 7 spelers. “Maar er moet wel gewonnen worden”!!
Thuis achter de computer maakte ik twee opstellingen. Eén waarin ik bord 1 vrij liet, tegen hun eerste bordspeler Sander Wissink, en één waarin ik anticipeerde op een tactische opstelling, met aan bord 1 hun nullenmachine, die ik beleefdheidshalve zal aanduiden met Dhr.‘X’. Ik maakte twee briefjes met een namenvolgorde, en zette er ook keurig de bondsnummers achter. Eén in de linker kontzak van de spijkerbroek, één in de rechter.
Bij binnenkomst in Elst, werd me al snel duidelijk dat de tegenpartij had gekozen voor de tactische variant. Snel informeerde ik Walter, dat hij niet op bord 8, maar op bord 1 diende plaats te nemen.
Walter is een echte held en teamplayer. Zonder enig protest, en nu met wit ipv zwart nam hij plaats zonder enig woord van protest. Of toch: ik zei: “Ze hebben een tactische opstelling en je tegenstander zou anders aan bord 8 hebben gezeten”. Waarop Walter de historische woorden sprak: Ik weet liever niet hoe sterk hij is, want misschien probeer ik dan wel een trucje omdat ik verwacht dat hij die niet ziet.
Ook Martin veranderde van bord van 6 naar 8 en ik zelf verplaatste van 4 naar 6 (het stond allemaal al vooraf keurig op papier in opstelling B). Geen kleurwijzigingen dus. Helaas had ik nog niet ver genoeg vooruitgedacht. Als hun eerste bordspeler niet op 1 zit, waar zit die dan?? Op 2 natuurlijk, en hun tweede- en derde bordspelers? Op 3 en 4 natuurlijk, waarbij de ene altijd wit heeft en de andere altijd zwart. Omdat Noah zich had voorbereid op zwart op bord 2, had ik hem nog naar 4 moeten verplaatsten. Dan blijft bord 2 vrij. Op bord 4 zat immers de tegenstander, waarop Noah zich 2 dagen had voorbereid. Helaas, deze nuance was mij niet helemaal ontgaan, maar de anticipatie was, zoals wel vaker ook in mijn schaakpartijen, onvoldoende.
En we zijn nog niet eens begonnen. En het verslag is al op pagina 2 aangeland. De speler aan bord 4 was erg teleurgesteld. Misschien zelfs boos, wat ik wel kan billijken. Hij vertrok meteen. Excuses onzerzijds. Ik beroep mij op overmacht.
De wedstrijd begint. We staan met 1-0 achter. Omdat ik mijn openingszetten vrij snel kan doen, volg ik even de eerste schermutselingen op de andere borden. Dat maakt me niet blij. Martin speelt op bord 8 tegen een man die blijkbaar snel naar huis moet (al bleek daar later niets van), en na 3 zetten van mij en mijn tegenstander hebben zij er al 10 gedaan. En wat erger is: Martin staat al zeer beroerd.
Op bord 5 is Jasper begonnen met enige overontwikkeling van zijn damevleugel, terwijl hij de stukken op de koningsvleugel op de onderste rij laat staan. Zijn dame staat al op b7 en wordt nagejaagd door de zwartspeler. Het ziet er vrij slecht uit. Ook Noah (of beter z’n tegenstander) speelt een hele vreemde opening. Achteraf blijkt dat Noah alle zetten accuraat doet, en z’n tegenstander minder. Noah met zwart wint een kwaliteit en met een zwart paard op d1 en een zwarte dame op b6 dreigt hij zelfs op b2 te slaan. Het ziet er hoopvol uit. Maar terwijl ik weer aan m’n bord ga zitten hoor ik plotseling gekreun. Wat blijkt?

In (ongeveer) deze stelling speelt Noah 16. …… Db6 in plaats van fxg6, wat hij ook overwoog. Om volkomen verrast te worden door 17. Th8+. Jan Hein Donner zei over een dergelijke zet dat sommige spelers geen gevoel voor gevaar hebben. Geen intuïtie. Een leermomentje.
Nu is de stand 0-2.
Er is 2 uur gespeeld. Martin en z’n tegenstander hebben inmiddels 65 zetten achter de knopen. Tenminste Martin heeft dat. Z’n tegenstander heeft op diverse plaatsen in zijn notatieboekje grote gapende gaten in de notatie en loert regelmatig maar Martins boekje. En hij zet steeds meteen, wat Martin ertoe brengt dat ook te doen, waarna hij enkele minuten spendeert aan het proberen te reproduceren van de zetten en deze in zijn boekje noteert, terwijl de tegenstander al lang weer heeft gezet. Het behoeft geen lang betoog dat het niveau van de partij niet wereldschokkend was, maar de uitslag wel: 0-1 en daarmee bereiken we de halverwege (na 2 uur) de stand van 0-3.
De winst is ver weg. Henk van Schaik komt met het idee dat hij misschien wel remise kan spelen, een idee dat in elke wedstrijd minstens één keer, en vaak wel vaker, aan Henks brein ontspruit. Ik leg Henk uit dat hij niet beslist hoeft te winnen, maar dat doorspelen erg op prijs zou worden gesteld, temeer omdat ook Jan Webbink en Jasper Mijnheer niet op weg zijn naar een zeker punt.

Ondertussen ben ik dat wel. Al geef ik mijn tegenstander een enorme kans. Ik heb al enkele keren kunnen offeren en met de koning op weg naar de (veilige) uitgang (van g2 naar b2?) vind ik het de hoogste tijd. In plaats van het meteen winnende Th1, speelde ik hier van alle goede geesten verlaten:
27. …. Lxg4; 28. fxg4 Pxe4; 29. Lf3 Pf2 Geen idee of dit iets was, maar esthetisch wel een mooie zet. 30. Txf2??? Txg1+;
31. Tf1 Txf1+; 32. Kxf1 e4 33. Pc3 Lxc3; 34.bxc3 De5
35.Tc1 Th2; 36. Lg2 f3; 37 Lxf3 Df4 Ik kan enorm genieten van niet terug slaan. Zeker als het correct is. 37. …. Kg1 38. Dg3+ opgegeven. 30. De2 wint meteen voor wit. Brrrrrr.
Daarmee is de stand op 3-1 gekomen. En het ziet er niet slecht uit. Henk van Schaik heeft wel eens vaker een toreneindspel gespeeld en voor z’n tegenstander blijkt dat een lastige opgave. “Niet je pionnen verdedigen maar actief spelen”! Voor Henk een bekend credo, voor z’n tegenstander een nieuwtje. Henk brengt ons op 3-2. Jasper Mijnheer heeft ondertussen zoveel mogelijk geruild en heeft alleen nog een loper en 5 pionnen, 2 op de a en b lijn en de rest op de e,f en g lijn. Z’n tegenstander heeft nog een paard en 5 pionnen, die allemaal op de koningsvleugel staan. Met een loper kun je aan beide kanten actief zijn, met een paard veel minder. En dus staan we gelijk (3-3).
Ondertussen is ook Walter aan de winnende hand. Al moet ik bekennen dat ik niet durf te kijken. Hij heeft nog 1 minuut en 16 seconden en er zijn 21 zetten gedaan. Ook z’n tegenstander heeft de tijd bijna op, al resten hem nog 2 minuten en 34 seconden. Walter is ijzig kalm. De tegenstander dreigt mat, waar maar 1 remedie tegen is: c3. Toch spendeert Walter ruim een minuut aan deze zet, waarna hij hem kalm uitvoert. De tegenstander zet. Maar drukt de klok niet in. Walter, met torens op e1 en e2 denkt rustig na, maar speelt dan, met de klok van de tegenstander lopend
Te1-e7. Ze wisselen ook nog even uit, dat eigenlijk de klok moet worden ingedrukt. De tegenstander, dhr. X, slaat meteen: Tf7xe7, maar drukt opnieuw de klok niet in. Opnieuw denkt Walter rustig na. Maar op het moment dat hij wil zetten, springt de klok van de tegenstander op 30 en daarna op 29.59. Walter vraagt wat dat betekent. De tegenstander zegt dat de klok kapot is.
Ik kan niet laten aan te geven, dat nu de tijdcontrole is geweest, en dat ze eigenlijk 40 zetten hadden moeten hebben op dit moment. Waarna Walter begrijpt dat hij heeft gewonnen. Gelukkig was de stelling ook helemaal uit, met mat in 3 in het verschiet. Maar de lezer begrijpt dat voor een interimteamleider met degradatiezorgen dit een hartverzakkend avontuur is.
De stand is 4-3 in het voordeel van de onzen. Alleen Jan Webbink speelt nog. Helaas is zijn stellig verloren. Bijna had ik geschreven ‘hopeloos’. Maar dat was hij niet. Aan de zijkant bulkten wij van de (naïeve) hoop. Ons voorbereidend op de uitgestelde teleurstelling. En het wonder gebeurde:

Boven de stelling, met zwart aan zet.
In aanmerking komt Tb5 gevolgd door Ta5. +6 voor zwart volgens de computer. Maar even later is dit de stelling:

Na Te2 werd nu tot remise besloten.
Hoe kom je van stelling 1 in stelling 2? Terwijl er absoluut geen sprake is van tijdnood? Iets voor een zomeravondpuzzel.
Eindstand: 4.5- 3,5. Het is zes uur. Ik ben bekaf. Na de partij geworden.
Maar het is nog niet voorbij. De teleurstelling volgt. We staan nog steeds onderaan. Want TAL 2 wint van Lonneker en Borne van Hardenberg 2.
In de laatste ronde moet er gewonnen worden van Tal 2. Maar ook moeten we nog een partij inhalen op bordpunten. Want er degraderen er twee. Dus reken maar uit: 5,5 – 2,5 is voldoende. Dan staan we precies gelijk. En winnen wij door het onderling resultaat. En mits Lonneker niet wint van Hardenberg natuurlijk.
Hoe dun kan een zijden draadje zijn…… En hoe konden wij van Lonneker verliezen? En niet van ZZS! winnen?
Voer voor psychologen!

